Welkom bij onze website

Verraad uit de ruimte

Mijn naam is Erwin de wit. Dat is een gewone naam en ik ben ook maar een gewone knul, zo eentje die je op elke straathoek tegenkomt, lang, mager, brildragend en al vergeten voor je erlangs bent. Misschien herinner je me alleen omdat mijn bril steeds omlaag zakt en ik die net zo snel weer omhoogduw.

Een constante handeling.

Sinds kort mag ik stagelopen bij het bureau van Ruimteonderzoeken. Onder leiding van het enige aanwezige lid van dit bureau, de weledele heer Ingenieur Ronald Adriaan Cornelis Zevenster. De naam klinkt bijna als van adel. Maar wie de rakker (zoals ik ‘m zelf noem) aanziet, kan het alleen maar met me eens zijn. R.A.C.S. Zevenster is een vies ventje.

Nog een beschrijving nodig? Ongeveer een meter zestig groot, enorm dik en altijd gekleed in een slonzige spijkerbroek, roze blouse en lange ongestreken witte overjas. Zevenster heeft een voorkeur voor vlekken, daar is hij ook in afgestudeerd volgens mij, want zijn kleren zitten altijd onder. In de drie weken dat ik hier stageloop heb ik al eigeelvlekken, biervlekken, koffievlekken, mayonaise, uitjesvlekken en zelfs de van donuts afgestreken vettigheid opgemerkt.

Er valt weinig te doen hier. Het bureau van Ruimteonderzoeken is maar een kleine afdeling in het grote geheel dat zich bezighoudt met ruimteonderzoek en dergelijke geheime zaken.

Mijn werkhoek bestaat uit een grote kamer met grijs tapijt, voor de helft opgevuld met een grote dwars door de kamer staande volle boekenkast. Daardoor is een klein hoekje ontstaan. Dit is het werkgedeelte van R.A.C.S himzelf. De boekenkast houdt hem uit het oog en omdat de ramen halfgesloten zijn met luxaflex, constant in schemering gehuld.

Mijn bureau staat aan de andere kant van de kamer, zo ver mogelijk weg van de boekenkast. Gelukkig mag ik een lamp aandoen in mijn hoekje, anders kan ik binnenkort naar een sterkere bril uitkijken.

De schemering en de boekenkast zorgen ervoor dat wie het ooit in zijn hoofd zal halen het rakkertje iets te vragen, minstens zes minuten nodig heeft om aan de schemering te wennen. Dat is net genoeg voor hem om al zijn duistere zaakjes weg te bergen.

Drie weken werk ik nu al hier. Behalve kasten met boeken afstoffen en een microscoopplaatje vervangen dat om de een of andere reden onder de koffie is gekomen. Hoef ik me alleen maar beziggehouden met het luisteren naar op de eeuwige monotone vertelde levensloop van Zevenster.

Om de een of andere reden heeft NASA, de manie om elke maand wat post naar ons op te sturen.

Dat heeft Zevenster vol trots verteld, want hij heeft al diverse meteorietjes en afschraapsel van wat op een satelliet zat na het bezoekje aan de ruimte, onderzocht.

Omdat R.A.C.S. de gehele dag druk bezig is met zijn grootse levenswerk, een onuitputtelijke voorraad levensmiddelen naar binnen proppen, krijg ik de eer post te openen die zo zeldzaam aankomt.

Deze ochtend lijkt te beginnen zoals elke saaie ochtend ervoor. Ik zit aan mijn kleine bureautje, onzichtbaar voor de heer en meester van het bureau van ruimteonderzoeken. Achter de grote kast is al het gekruns te horen waarmee de rakker een van de pakken kerstmiskoeken verslindt die hij voor afkraakprijs per dozijn ingeslagen heeft.

Ik heb wel eens tussen de boekkast gegluurd, om te zien waar het rakkertje zich nu eigenlijk mee bezighoudt de gehele dag. Zijn voeten liggen op een hoek van zijn bureau. Gemoedelijk achteroverleunend, genesteld voor de computer, surft de grote wetenschapper langs, wat ik vermoed, zoveel mogelijk pornografische sites. Heel leerzaam, maar niet heus.

Vandaag, joepie, het is dinsdag, is er een onderbreking van de saaie dag, want dan wordt de post gebracht. Een supersnelle knul in geel leren motorpak komt naar binnen gerend. Hij duwt me een schrijfblok onder de neus waarop ik mijn naam krabbel, ten teken van ontvangst.

De koerier draagt een zwarte helm. Achter die helm klinkt onduidelijk gebrom, waarna de snelle jongen weer verdwijnt. In mijn handen heb ik een gele enveloppe met grote oranje sticker. Het komt uit Amerika en is afkomstig van NASA. Ik vraag me af of NASA tegenwoordig bakstenen opstuurt, zo zwaar voelt het ding aan, terwijl war er in zit een stuk kleiner aanvoelt dan een baksteen is.

Top Secret! Het vlamt me tegemoet op de grote oranje sticker. Meteen besluit ik deze prachtige relikwie niet achteloos weg te flikkeren, maar voorgoed te bewaren als een aandenken.

Je krijgt niet elke dag post uit Amerika met Top Secret erop.

In de enveloppe zit een vierkante vorm. Met een snelle greep pak ik de schaar en ga daarna behoedzaam mogelijk te werk, want ik wil de enveloppe zoveel mogelijk in tact houden. Met trillende handen open ik de enveloppe, schuif mijn hand erin. Dan voel iets wat koud en hard is. Langzaam schuif ik de vierkante vorm tevoorschijn. Ik zie een doosje, volgens mij van lood gemaakt.

Het vreemde is dat in dat doosje, op elke zijde een ronde uitstulping zit. Ik draai het in mijn handen rond en rond. De uitstulping lijkt wel van binnenuit te komen?

De sluiting van het doosje is heel eenvoudig, een haakje dat over een pinnetje schuift. Ik probeer het met behulp van mijn nagel op te wippen. Maar om de een of andere reden zit er erg veel kracht op de sluiting. Pas met de punt van de schaar kan ik het haakje omhoogschuiven. Meteen schiet het deksel los. Het doosje klapt open en ik zie een roze hoopje.

Even gebeurt er niets en ik houd het doosje onder de lamp. Voor mijn verbaasde ogen ontvouwt er in het doosje zich iets en strekt sierlijk een; tja, hoe zal ik het noemen, tentakel. Ja, nu ik het wat beter bekijk moet het dat wel zijn. Een kleine roze poliep strekt een tentakel uit. Daarna nog eentje en nog een.

Heel voorzichtig vouw ik mijn vingers om een tentakel, daarmee til ik het uit het doosje.

‘Het is een grap,’ mompel ik. Vreemd dat het doosje loodzwaar is, want wat ik tussen duim en wijsvinger vasthoudt, is superlicht. Het voelt glad en rubberachtig aan en is prachtig donkerroze in het hart.

Langs de vijf tentakels kleurt het roze steeds lichter. ‘Goh,’ kom ik tot deze conclusie, ‘het is een zeester.’

Nadat ik de kleine ster een paar keer heen en weer gedraaid heb voor mijn bebrilde ogen, kan ik niet anders dan knikken. Iemand heeft een kleine zeester gekocht in een souvenirwinkel en er een rubberen afdruk van gemaakt. Waarschijnlijk is het een soort 1 aprilgrapje omdat mijn baas Zevenster heet.

Toch een beetje teleurgesteld, want ik had minstens een meteoriet van oneindig ver uit de ruimte verwacht, neem ik het stukje speelgoed mee.

Ik ga ermee naar R.A.C.S, maar het rakkertje is in diepe slaap. Met zijn hoofd achterover in de stoel, zijn handen op schoot laat hij een zacht gesnurk horen. Dat is jammer, want ik wil hem nu net zo graag vertellen over wat de koerier heeft gebracht. Omdat het ondertussen pauze is geworden, leg ik de zeester voor het rakkertje neer tussen de opstapeling van lege koekdozen, blikjes cola en stapels boeken.

Ik haast me daarna weg met de envelop, want daarmee zal ik vast groot succes boeken bij de kennissen die ik hier opgedaan heb.

Een uurtje later kom ik weer terug in het bureau van Ruimteonderzoek. Tenminste, ik meen toch echt dat dit mijn afdeling is. Verbaasd controleer ik de naam op de deur. De luxaflex is omhooggetrokken?

De onverwachte lichtbron laat me schrikken. De boekenkast is tegen de muur geschoven en het bureau van het rakkertje staat plotsklaps midden in de kamer. Alle koekverpakkingen en andere troep zijn verdwenen. Een van de ramen staat open en er waait een fris windje in mijn gezicht.

Mijn baas zit met de rug naar me toe.

De rakker ziet er even onverzorgd uit als altijd. Toch is er iets veranderd, want hij zit voor zijn computer.

Hij bewerkt het toetsenbord met een ongelofelijke snelheid!

Ik sta als een complete idioot om me heen te staren. R.A.C.S werkt door.

Omdat er van me verwacht wordt dat ik iets zal doen aan de post van NASA, zoek ik naar de kleine roze zeester. Het is nergens in de kamer te vinden. Met het onwezenlijke gevoel dat ik droom, waag ik het mijn baas te storen.

‘Eh, meneer Zevenster? Weet u?’ Verlegen laat ik de enveloppe met top Secret erop zien.

Ik vertel van het loden doosje en wat eruit gekomen is, Zevenster kijkt om naar mij.

Zijn nek draait zelfs griezelig ver naar me om. Of hij werkelijk naar me luistert, vraag ik me echt af, want zijn vingers blijven op het toetsenbord tekeergaan. Nieuwsgierig waag ik me dichterbij, waarbij zijn ogen me strak aan blijven staren, Over de schouder van R.A.C.S zie ik de getikte tekst in enorm tempo door ratelen, maar ik kan het niet lezen, het lijkt wel Russisch?

Het rakkertje niest, ik zeg automatisch, ‘gezondheid.’

Hij veegt zijn neus aan zijn mouw. Er hangt een dikke prop zooi uit zijn neus.

Ik heb de neiging een papieren zakdoekje aan te bieden, tot ik op zijn mouw iets zie bewegen.

Uit het snot ontstaan erwtgrote roze bolletjes. Ze blijven even stilliggen en vouwen zich daarna open.

Net als poliepjes op de zeebodem, beginnen ze met hun kleine roze tentakeltjes heen en weer te bewegen.

Ik word er een beetje misselijk van, want nu pas merk ik op dat vanuit de neus van mijn chef, over de witte jas van R.A.C.S, veel meer van de kleine roze bolletjes bewegen. Ze vormen een lange rij naar het raam. Ze verzamelen zich op de vensterbank, waarna ze met een sprongetje omlaag verdwijnen.

Snel stap ik achteruit en wrijf in mijn ogen, dit kan toch niet echt gebeuren?

‘Knul,’ Zevenster draait weer zijn hoofd zo akelig eng naar me om, alsof hij meespeelt in, ‘The Exorcist.’ Het rakkertje kijkt ver over zijn schouder naar mij en zegt vriendelijk, ‘waarom ga je niet naar huis? Ik heb het erg druk vandaag.’

‘Eh ja, goed, meneer.’ Meer kan ik niet uitbrengen. Ik haast me de kamer uit en doe snel de deur achter me dicht. Hoelang ben ik weggebleven van die kamer? Alleen maar een uurtje toch?

‘Het is een droom, dit is gewoon een hele rare vreemde droom,’ mompel ik.

Ik kom midden in de gang de Turkse schoonmaakster tegemoet. Al die tijd dat ik hier werkt, heeft de vrouw alleen maar schuw geknikt, wanneer ik hoi zei. Nu staat ze Figaro te zingen. Ze is de gang aan het vegen in een ongelooflijk tempo…

Uit een kamer, waarvan de deur wijd openstaat, klinkt harde popmuziek. Ik moest er laatst even iets ophalen. In dat kamertje zat een oud uitgedroogd mannetje stoffige dossiers door te nemen. Datzelfde oude mannetje staat nu op zijn bureau, hij rockt dat het een lieve lust is!

Ze zijn gek geworden! Dat kan ik alleen maar bedenken, terwijl ik me het gebouw uit haast. De receptioniste spreekt niet langer met doorleefde saaiheid in de telefoon. Ze vertelt iemand een grap en ligt er zelf dubbel om. Naast het grote gebouw is een grote smerige sloot. Dat water stinkt altijd.

De bushalte ernaast lig ook altijd vol troep.

Stomverbaasd blijf ik staan. Wauw, ben ik dan de enige die het ziet? In de sloot zwemmen zeesterren!

Niet de kleine snoezige poliepjes. Oh nee. Dit zijn grote roze zeesterren van wel een meter doorsnede. De zeesterren hebben elkaar bij de poot vast. Ze hebben grote bekken die wijd open staan. Daardoor zuigen ze water op en persen dat er van achteren weer uit. Het water verliest, waar je bij staat, de smerige modderige kleur. Het begin helder te worden? Frisgroen kroost drijft ineens rond, eenden zwemmen vrolijk gakkend door het kroost en langs de randen bloeien uit het niets, dotterbloemen.

Ik schrik me rot. Achter me klinkt een gierende klap, twee auto’s zijn gebotst. Ze hebben allebei een flinke deuk. Nadat de bestuurders naar buiten komen, verwacht ik een vechtpartij. Maar de twee mannen kijken elkaar aan en breken in lachen uit. Ze gaan op de motorkap van een van de auto’s zitten en beginnen gezellig te kletsen.

Bij de bushalte kijk ik omhoog. Op de negende verdieping is de kamer van Zevenster, waarvan het raam als enige van het hele gebouw openstaat. Daardoor springen kleine roze bolletjes. Tijdens hun val ontvouwden zij zich tot kleine parachuutjes. Waar deze parachuutjes neerkomen? Op mensen, op de grond. Overal begint er verandering.

Als ik opzij kijk, landt er zachtjes een roze zeester op mijn schouder. Het gevoel van vrede, liefde en vriendschap maak zich meester van mij. Ik van helemaal niet bang voor het twee centimeter grote wezentje.

Heel zachtjes, bijna teder raakt een tentakel mijn neus. Terwijl ik langs mijn bril en neus omlaag tuur, kan ik zien hoe het de tentakel recht voor zich uitsteekt, de andere tentakels naar achteren schuift en zich lang en smal maakt. Ik had moeten gaan gillen en krijsen als een gek. Vooral dat enge ding weg moeten trekken. Heel langzaam schuift het naar voren en verdwijnt in mijn neus. Ik verwacht vreselijke pijn, maar het doet helemaal geen pijn? Het kriebelt alleen een beetje in mijn voorhoofd. Het begint daar lekker warm te worden en ik voel me heel ontspannen.

Even later, als ik nies, ploffen er kleine roze bolletjes op de grond. Een dikke mevrouw, met haar handtasje stevig onder haar arm geklemd komt naast me staan. Ze kijkt me minachtend aan, want ik sta  als een idioot te grijnzen en met één voet te tapdansen.

Weer moet ik niezen. Een roze bolletje ploft neer en begint meteen naar haar schoenen te lopen, nieuwsgierig blijf ik toekijken. Weer een nies. Drie andere bolletjes landen en rollen als kleine knikkertjes naar een propje papier. Meteen vouwen ze hun roze tentakeltjes eroverheen. Het propje papier wordt in snel tempo kleiner en is verdwenen.

De vrouw merkt niets van de kleine poliep die zich met sierlijke gebaartjes langs haar jas omhoog werkt. Ik heb ook helemaal geen zin om haar te waarschuwen in de trant van: mevrouw, er zit een buitenaards wezentje op uw jas.

De invasie gebeurt verbazend snel en onopvallend. Weer thuis plof ik in een stoel en doe de tv aan.

Ik zie het journaal. Zonder bril, want die heb ik ineens niet meer nodig. Er vallen mij wat dingetjes op. Presidenten van Amerika, Irak, Israël, Noord-Korea en China hebben de wereldvrede afgekondigd.

In de Sahara is sinds kort gras aan het groeien. Parijs-Dakar racers hebben hun auto’s massaal aan de kant gezet, zij werken nu mee aan het bouwen van ziekenhuizen en scholen.

Weer moet ik niezen. In mijn hand liggen drie kleine roze bolletjes. Ik bekijk gelukzalig het kleine roze wonder dat zich langzaam en sierlijk openvouwt. Ik ga naar het raam van mijn flatje en laat ze erdoor wegvliegen op de wind. Ergens is er vast wel iets goeds te doen voor deze kleine ruimtewezentjes.

Ik kan het iedereen wel toeschreeuwen. Waarom bang zijn voor ruimtewezens? Ze hadden tientallen jaren eerder moeten komen.

Mijn feeststemming duurt precies drie dagen. Deze drie dagen zijn een groot feest waarbij ik urenlang sta te zwingen op muziek van de Beatles.

“In the time that I was born,

Lived a man, who sealt the sea.”

Yellow Submarine. Ik kan er niet genoeg van krijgen. Uren en uren lang sta ik te zingen en te springen bij de Beatles. Vroeg in de morgen van de vierde dag word ik wakker midden op de vloer. Ik lig op mijn zij.

Als ik me om wil draaien, zit er vieze kleffe troep op mijn gezicht. Verbaasd wrijf ik het weg en ga overeind zitten.

Honger! Mijn maag brult ineens om eten. Stomverbaasd staar ik naar het roze slijm op mijn vingers.

Tot mijn afschuw sijpelt er ineens een grote klont roze slijm uit mijn neus! Gruwend ren ik naar de badkamer en smak over de wastafel.

Ik buig naar voren en zie hoe er uit mijn neus grote plakkerige slijmklodders sijpelen! Mijn mond smaakt alsof ik een pot lijm leeg gegeten heb. Ik voel mijn keel vollopen met iets afgrijselijk slijmerigs. Walgend kots ik het uit en hoor een weeïge klets.

Daar ligt ie dan, mijn lief ruimtewezentje. Geen 2 cm groot, ongeveer vuistgroot. Hoe kan dat in mijn hoofd gepast hebben zonder pijn te doen? Het maakt niet meer uit, want mijn poliepje is dood!

Met de hulp van bijna een halve rol toiletpapier snuit ik mijn neus schoon, werp de snot in het toilet en trek door. Ik rammel van de honger, maar heb nauwelijks meer in huis dan wat beschuitjes en een stuk oude kaas. Ik verslind het. Al die tijd dat ik in Hosanna stemming verkeerde, heb ik geen tv gekeken of radio geluisterd, maar nu maak ik me ineens zorgen. Stel je voor dat al de mensen die een poliepje in hun neus hadden, nu staan te kotsen bij de wasbak?

Ik doe de tv aan, maar alles wat ik zie, is zwarte ruis. Er is nergens een zender. Ook de radio geeft alleen maar statisch gezoem af.

Nou, eerst maar eens boodschappen doen, besluit ik en ga meteen op stap. Buiten valt me een vreemde stilte op. Er rijdt nergens een auto. Er vliegt nergens een vliegtuig. Ik hoor zelfs geen roestige fiets langs rammelen. Trouwens, ik ben al die tijd niet op mijn werk gekomen. Hopelijk zal het rakkertje daar niet woest over zijn. Peinzend over een goede smoes, loop ik door.

Mijn moeder is onverwachts gestorven. Ik heb een ernstig ongeluk gehad. Dat moet niet al te ernstig zijn, want ik heb geen gips of zelfs maar een pleistertje. Weet je wat, tijdelijk geheugenverlies. Of toch maar ontvoerd door Aliens?

Op weg naar de supermarkt zie ik aan het eind van de straat een man lopen. Ik haast me er tussen de flats door heen, want het winkelcentrum ligt daarachter. Ik wil graag met die andere man spreken. Wat zou hij ervan vinden om zijn ruimtewezentje zomaar ineens kwijt te zijn?

Ik ren de hoek om. Meteen moet ik met een flinke sprong blijven staan. Dus hier is iedereen gebleven? Tot mijn grote verbazing staat hier een gigantische rij. Willen alle mensen plotsklaps boodschappen doen? Er zijn zeker maar drie kassa’s open, want als ik links en rechts kijkt staan er meer mensen braaf te wachten, want er staan drie lange rijen. Ik aarzel tussen achter aansluiten of gaan kijken, als de rij voor me een stapje naar voren doet. Daarna blijft iedereen weer geduldig staan. Ik kan mijn nieuwsgierigheid niet langer inhouden, waarom blijft iedereen hier toch staan?

‘Zeg, wat is hier aan de hand? Delen ze gratis geld uit?’ De oude man die ik het vraag, staart zwijgend naar het achterhoofd van zijn voorganger. Zeker doof, denk ik en vraag het de volgende. De jonge knul met rood peenhaar kijkt niet op of om, als ik hem aan zijn kraag trek.

‘Hallo? Hee! Hoehoe?’ Ik stoot mensen aan, geef iemand een duw en schreeuw uiteindelijk, ‘kan iemand me verdomme vertellen wat er aan de hand is?’

Iedereen is blijkbaar stokdoof geworden. De rij doet zwijgend weer een stapje naar voren. ‘Ze zijn niet goed snik,’ mompel ik en begin naar voren te lopen. Misschien is er ergens iemand die me wel kan vertellen wat er aan de hand is?

Bij het winkelcentrum staan winkels rond een vierkant plein met bankjes en groen spul in bakken.  Terwijl ik doorloop langs de lange rij starende mensen, hoor ik ineens roepen. ‘Sodeflikker toch op,’ Een vrouw schreeuwt vol woede. ‘Rot op, stomme klojo!’

Eindelijk een teken van leven. Daar is nog iemand bijgekomen!

Hoopvol begin ik naar voren te rennen, maar als ik op het pleintje aankom, kieper ik opnieuw bijna om. Vlak voor me ligt een roze inktvis. Het is allang geen schattig roze poliepje meer, maar een flinke 10 tons inktvis! Het is zeker vier meter hoog! Oh mijn god! Ik kan alleen maar staren.

Na al het afval, zijn wij aan de beurt.

De enorme poliep houdt een enorme bek open. Van drie kanten staat er een rij mensen. Jong en oud door elkaar. Om beurten stapt er iemand de wijd open bek naar binnen. Het bakbeest slikt en doet de bek weer open. De volgende stapt alweer naar binnen. Het gebeurt heel rustig, heel keurig.

Van drie kanten tegelijk, ieder op z’n eigen beurt gaat zijn dood tegemoet.

‘Verdomme,’ hijg ik uit, ‘die vuile smerige klote verraders!’ Want verraad is het wat de lieve schattige roze poliepjes uit de ruimte ons aangedaan hebben. Eerst beloven ze hemel op aarde, nu zijn we niks meer dan een hapklare brok!

‘Hee jij! Wat sta je daar te kijken, stomme klootzak!’ Uit het niets stort een dikke blonde vrouw zich op me. Ze heeft een groene jurk aan die van boven tot onder de roze slijmdraden zit. Meer zie ik niet, want ze sleurt me hardhandig mee. ‘Help me, eikel’, schreeuwt ze; ‘Ik ben al uren bezig, maar ze luisteren niet! We moeten ze tegenhouden,’ krijst ze overstuur. ‘Doe wat, beweeg!’ Ze geeft me een keiharde zet tegen een rij weerloos wachtenden hapklare ruimte snacks.

Als een tank werpt de vrouw zich tegen een andere rij aan. Ze geeft een jonge vrouw zo een harde schop dat ze minstens zes weken in het gips zou moeten. Het meisje gaat weer staan en sjokt geduldig naar de rij.

‘Doe wat stomme zak,’ schreeuwt ze tegen mij en ik begin het te begrijpen. Niks weerloos als kippen hangend aan een rek wachten tot je afgeslacht wordt. We moeten iets doen. Meteen grijp ik de man die zijn dood tegemoet wil lopen, beet aan zijn arm. Ik geef hem een keiharde ruk naar achteren, maar zijn plaats wordt alweer ingenomen door een volgende. ‘Verdomme ja, we moeten ze tegenhouden,’ roep ik haar toe. Maar dat is de moeilijkheid. Niemand werkt mee met mij of die vrouw…

Ik werp me alla Rugbystijl tegen een oude vent aan, maar zie de volgende alweer op de bek aflopen.

Ik geef hem zo’n zet, dat hij drie meter verderop neer knikkert, maar het heeft geen zin.

Wie opzij gesmeten wordt, krabbelt met dezelfde nietszeggende blik weer overeind en sjokt naar voren. Mijn onverwachte bondgenoot en ik zijn radeloos, weerloos, machteloos. Tussen de Jamin, een cd-zaak, de bakker en een lingeriewinkeltje in doen we ons uiterste best.

Als een bootwerker schopt, ramt en duwt de blonde vrouw mensen weg. Ik probeer haar na te doen.

Maar ik heb niet zo een berenpostuur. Mijn schouders en rug beginnen goed pijn te doen. Als melkflessen in een doppenmachine blijft de rij komen. Het roze monster blijft de bek openhouden. Al moet hij af en toe eventjes wachten, toch komt er steeds weer nog iemand door onze blokkade en biedt zich vrijwillig aan voor de hap-slik-weg machine.

‘Het is hopeloos.’ De blonde vrouw roept het wanhopig naar mij. Ze blijft met wijd open armen voor een rij staan en werpt, wie zich in haar buurt waagt, ruw terug.

‘Hoe ben jij bijgekomen,’ vraag ik na een flinke dreun tegen een jonge knul. Hij valt bewusteloos neer.

Oké, dit lijkt ineens een betere manier om te voorkomen dat er eentje door onze barrière komt en weer hef ik mijn vuisten. Maar dit is een klein jongetje en daar schrik ik van. Hij stapt zo langs me heen de bek in en is weg!

‘Mijn naam is Marie. Mijn kinderen zijn al dood,’ hijgde de blonde vrouw en mijn moeder staat daar.’

Ze wijst naar een versufte oudere vrouw met een bloedneus.

We kijken elkaar niet aan terwijl we praten. Alles wat we doen is de vrijwillige slachtoffers neer slaan of wegmeppen. ‘Mijn naam is Erwin, weet je ook hoe je bij bent gekomen?’

[…]

Verder lezen? Koop het hele verhaal hier. Kosten 5282 woorden x € 0,001 = € 5,28 + btw € 0,48 + betaalkosten € 0,30 = € 6,06.

Extra donatie aan de schrijver.

X